Ik hou van jou – deel 2

8 maart zou Jeroen 48 jaar geworden zijn. Het vooruitzicht van zijn verjaardagsdatum was geen steen in m’n maag, maar wel “een datum”. Ik ben altijd van data geweest. En de zwaarte die aan data kunnen hangen.

Ik ben nu bijna een jaar verder: 20 maart 2013 overleed Jeroen. En zo meteen heb ik alle dagen van het jaar 1 keer gehad. Wordt het 21 maart 2014 dan anders? Neuj. Maar de ervaring wat alle dagen met me heeft gedaan, daar gaat het om. Is een hoofddingetje.

Er wordt iets algemeens gemaakt van wanneer je speciaal meer in de rouw moet zijn dan anders. Op je trouwdag. Op de dag dat je kind(eren) geboren is(zijn). Met Kerst. Met verjaardagen. Het moment van samenwonen. De dag dat je samen je eerste huis kocht. Mensen vroegen mij niet: hoe was je kerst? Nee, er werd gezegd: was zeker moeilijk, he, met deze dagen? Niks geen open vraag. Invullen maar. Er wordt extra rouw gelegd op die dagen door de buitenwereld. Maar voel ik dat zelf ook?

De eerste datum na Jeroen’s overlijden was mijn verjaardag: 24 april. Ik zag niks spannends aan die dag. Totdat het 24 april was. En wat vond het ik het moeilijk. Had ik niet gedacht. Daarna onze trouwdag: 25 juli. Zouden we 7 jaar getrouwd zijn. Moeilijke dag? Niet moeilijk, maar weird. Onwerkelijk. Ik heb dezelfde kleren aangetrokken die ik droeg toen we trouwden. In diezelfde kleren stond ik ook bij zijn crematie. En het voelde fijn. “Ik heb me mooi gemaakt voor m’n man”, zei ik op onze trouwdag op het werk. Want Jeroen blijft mee kijken met me. Altijd. Dus kan ie nog genieten van hoe ik er uit zie. Ik ben de lulligste niet ;-).

Data zeggen niks over je gevoel. Je wordt een gevoel ingezogen door gedachten die je hebt óver die data.

24 november 2012 was de laatste keer dat ik Jeroen verteld heb, per sms, dat ik van hem hield. We zaten in stormachtig vaarwater, woonden sinds begin november niet meer samen (we waren gaan LAT-ten, lekker old-school). En de keer daarop dat ik zei dat ik van hem hield, was toen hij van zijn etage waar hij woonde naar de eerste verdieping was gedragen. Dood. Ik stond bij hem, iedereen liet me alleen met hem en ik huilde, huilde en huilde. En zei tegen hem dat ik van hem hield, bijna 4 maanden later na de laatste keer. Ik voelde het opkomen. Hoe moeilijk het ook was tussen ons op dat moment in ons leven, het nam niet weg dat ik van hem hield, al was de vorm anders geworden.

Houden-van. Het is iets universeels. En wij maken er iets aards van. Iets gekoppeld aan een persoon omdat hij of zij eigenschappen heeft waar je van houdt. Dat is geen universele liefde, dat is aardse liefde. Ik zoek de hogere liefde, de universele liefde. In mezelf voor mezelf. En in mezelf  voor anderen. Een flow van binnen naar buiten. En terug. Een zoektocht hoe dat te bewerkstelligen.

Ik had afgelopen vrijdagnacht een droom. Een bizarre droom waar vanalles gebeurde. Ik was bij mijn beste vriend, de nacht naar Jeroen’s verjaardag toe. We hadden die avond en deel van de nacht gesproken over de zoektocht naar “wie ben ik?” en de processen die daarmee samenhangen. Het begint bij liefde voor jezelf. Acceptatie van wie je bent, in al je kwetsbaarheid. In al je zelfafwijzing. In al je oordelen. In alles. Ik voel dat ik de laatste weken terecht ben gekomen in een stroomversnelling t.a.v. mijn ontwikkeling. En dat ik moet doorpakken. Dat ik de zogenaamde leegte waar ik bang voor ben om die te voelen in “moet” stappen. Hetgeen betekent dat ik me terug ga trekken uit bepaalde situaties, bepaalde dingen niet meer wil gaan doen. Keuzes moet maken. Wie ben ik zonder bepaalde dingen in mijn leven? Wat en wie kom ik dan tegen in mezelf?

De droom gaf mij een prachtig beeld van hoe het is: aan 1 kant van mijn mond braken mijn kiezen. Volledig afgebrokkeld, kapot, er onstond een enorm gat. En uit dat gat viel een groot doorzichtig, gepolijst hart op de grond. Voor mij de kern van waar ik naar zoek (terwijl het er al is): ik ben heel en volmaakt als mens (het gepolijste hart), ik ben liefde. Die liefde zit in mezelf en liet zich zien door dat doorzichtige hart uit me te laten vallen. De mond staat voor jezelf hoorbaar maken. En wat heel, heel erg in mijn aard zit is mijn verhaal delen met anderen. Ik praat, dus Ik Ben/Besta. Ik ben heel open, omdat alles wat we mee maken, anderen vaak ook mee maken. Met her en der natuurlijk nuance verschillen. Situaties en gevoelens zijn universeel. Ik ervaar ze daarom niet echt als “persoonlijk” en daarom deel ik veel en makkelijk. Maar daarmee heb ik niet geleerd wie ik ben zonder mijn verhaal te vertellen. Het idee dat ik mijn verhaal “moet” minimaliseren of zelfs helemaal niet ga vertellen, brengt me een gevoel van leegte en eenzaamheid. En een stukje benauwdheid. Letterlijk. Wie ben ik dan als ik niet meer alles deel met anderen? Veeeel minder woorden gebruik. En veel dingen wellicht niet meer vertel. Wat doet dat met me? Ik voel het als een enorme uitdaging om dat te gaan onderzoeken. Ik ga de leegte aan, die me ruimte gaat geven. Hoe dat gaat voelen weet ik nog niet, maar ik heb er zin in.

Maar eerst nog even op naar de laatste data van “de eerste keren na Jeroen’s overlijden”: 24 maart de condoleance dag en 26 maart zijn crematie dag. Ik voel dat ik daarna pas de stap wil zetten tot verstilling. Maar ik zal wel blijven bloggen. Bloggen voelt voor mij anders, dan waar ik het hierboven over heb. Omdat ik door bloggen contact maak, in stilte, alleen, met mezelf.

Liefdes water

Harry Jekkers – Ik Hou Van Mij

Ik hou van.. mij
hoor je nooit zingen
Ik hou van mij
wordt nooit gezegd
maar ik hou van mij
ga ik toch zingen
want ik hou van mij, van mij alleen en ik meen het echt, hehehehe!

Ik hou van mij, want ik ben te vertrouwen
Ik hou van mij, van mij kan ik op aan
Ik hou van mij, op mij kan ik tenminste bouwen
Ik hou van mij en ik laat mij nooit meer gaan!

Ik blijf bij mij, en niet voor even
Ik blijf bij mij, voor eeuwig en altijd
ben zelfs bereid mijn leven voor mezelf te geven
ik blijf bij mij, totdat de dood mij scheidt!

Ik hou van jou
zeg ik soms ook wel
Ik hou van jou, schat en ik meen het echt
maar ik hou van jou zeg ik alleen maar voor de spiegel
zo komt ik hou van jou weer bij mezelf terecht, heeey!

Ik hou van mij, van mij, van mij
en van geen ander, yeah yeah!
Want ik ben verreweg, de leukste die ik ken, jeuh
Ik hoef mezelf zonodig ook van mij niet te veranderen
ik hou van mij mezelf, gewoon zo als ik ben

Want ik hou van jou
betekent meestal:
schat, hier heb je mijn problemen, los maar op, jeuh!
ik leef in een hel en verwacht van jou de hemel (ja)
Je geeft de hel weg, dank je wel zeg,
rot lekker op

Want houden van een ander,
dat heb jij alleen maar nodig
omdat je niet genoeg kan houden van jezelf
Hou van jou joh, maak de ander overbodig,
want ware liefde, geloof me, begint áltijd
bij jezelf

want ik hou van jou is niet de sleutel tot de ander
maar ik hou van mij, al klinkt het bot en slecht
want wie van zichzelf houdt, die geeft pas echt iets kostbaars
als ie ik hou van jou tegen een ander zegt

Ik hou van jou

“Ik hou van jou”. Hoe vaak zeggen we dat niet tegen onze geliefde? Tegen onze ouders? Broers? Zussen? Vriendinnen en vrienden? Kinderen? Ik zeg het heel regelmatig. En tegen Jeroen heb ik het heel, heel, heel vaak gezegd. Ik wil dat de mensen die me dierbaar zijn, weten dat ik van ze hou.

Maar wat is houden van? Dat is de vraag die mij sinds een maand of wat bezig houdt. Omdat ik ben gaan twijfelen aan mijn houden van. Of laat ik het anders zeggen: naast mijn ouders, houd ik niet onvoorwaardelijk van iemand. En als je niet onvoorwaardelijk van iemand houdt, is het houden van dan wel écht? Kijkend naar mezelf moet ik daarop het antwoord “nee”geven.

Je kunt je voorstellen: dat voelt hard. En confronterend. Ben ik in staat om onvoorwaardelijk van iemand te houden buiten mijn ouders om? Vooralsnog moet ik die vraag beantwoorden met een nee. Pijnlijk? Ja. Maar voor mij voelt onvoorwaardelijke liefde (nu nog) als een utopie. Mijn idee van onvoorwaardelijke liefde is dat je dan Boeddha moet zijn. Verlicht.

We houden van iemand omdat hij of zij eigenschappen heeft die we en/of zelf hebben en/of zelf missen en de ander aanvult. In de fase van verliefdheid, zijn we de eerste periode blind, zien we de ander zijn of haar onvolkomenheden niet. Je vindt alles aan de ander geweldig en er bestaat niemand anders op de wereld met wie je samen wilt zijn, samen verder wilt gaan. Dat voelt voor mij als de fase van onvoorwaardelijkheid. Nog niet het houden van. Maar in de verliefdheid: “onvoorwaardelijk” verliefd zijn. Want hij of zij ís voor jou op dat moment de mooiste man of vrouw op aarde. Niks nieuws daar.

Naarmate de tijd verstrijkt, begint langzaam die roze bril af te gaan. Die wordt wat meer doorzichtig. En de onhebbelijkheden van de ander komen aan de oppervlakte. Langzaam aan beginnen de scheurtjes te komen. Je kunt gaan accepteren of gaan irriteren. Of een compromis sluiten. Wat uiteraard niet altijd lukt. En dan kom je weer bij: accepteren of irriteren. Of weg gaan, als het in jouw basis dusdanig belangrijk is.

Wat betekent onvoorwaardelijke liefde? Daar ben ik niet over uit, of beter gezegd: ik snap er geen reet van, heb totaal geen clue. Betekent het dat wanneer je man je slaat, je toch van hem blijft houden? Of dat wanneer je regelmatig ruzie hebt over 1 en hetzelfde onderwerp en geen van beide partijen water bij de wijn wilt doen en de spanning blijft, je toch van de ander blijft houden? Of dat wanneer je man of vrouw vreemdgaat, je nog steeds onvoorwaardelijk van hem of haar houdt? Of wanneer je man of vrouw je kinderen slaat, je nog steeds onvoorwaardelijk van hem of haar houdt? En dus: waar hóud je precies van? Van wíe? Of van wát in de ander?

Mijn gevoel bij onvoorwaardelijke liefde is dat je alles “goedkeurt” van de ander, ongeacht wat hij of zij doet of flikt. Maar dat KAN niet waar zijn. Ik WEET dat dat niet waar is. Maar wat is het dan wel?

Een vriendin van mij vertelde een paar weken geleden dat haar man haar altijd een 8 vindt. Ongeacht hoe goed of hoe slecht het tussen hen gaat, zij is voor hem altijd een 8. Zij daarentegen vindt haar man een 3 of 1 bij een (fikse) ruzie en een 8, 9 of 10 wanneer het (heel) goed gaat. Ik ben mijn vriendin.

Mijn houden van hangt af van de mate waarin mijn behoefte en gevoel tegemoet wordt gekomen. Feitelijk: hoe meer iemand in mijn straatje leeft en denkt, hoe meer ik van iemand houd. Hoe krom is dat? Maar het lijkt wel dat het zo werkt.  Bij mij i.i.g. Herkenbaar? Ik kan mezelf afkeuren dat ik dat zo ervaar, maar dat doe ik niet. Ik probeer te observeren dat dat gevoel in me leeft en probeer daar geen oordeel aan te hangen. Dat doe ik sinds kort. Ik probeer dingen in mezelf te onderzoeken en loopt de laatste paar weken tegen steeds meer dingen aan in mezelf waar ik niet blij van word. Waar ik mijn patronen zie, manipulatie, dissociatie en versmelting -> op dit moment lees ik het boek van Jan Geurtz: Verslaafd aan liefde.

Het boek gaat over liefde en lijden, maar veel meer nog over datgene in ons wat liefheeft en pijn lijdt, namelijk onze geest. Een voor mij mega intrigerend en raak boek. Wat me tot nu toe, ik ben bij blz 110, al een behoorlijk aantal “aha-erlebnissen” heeft opgeleverd.  En tranen. Van herkenning en “kutje, waar ben ik mee bezig?”. Een boek dat me vreselijk in de war heeft gemaakt, voor zover ik dat niet al was door alles wat er na het overlijden van Jeroen is gebeurd (daarover in één van mijn volgende blogs meer). Een boek waarmee de kijk op mezelf stukje bij beetje verandert. Het heeft me door elkaar geschud, een gevoel dat ik mezelf aan het afbreken ben en gaandeweg weer moet opbouwen. Die aanzet tot móeten (en wíllen) veranderen is in gang gezet na een doorbraak bij mijn psychologe, nu zo’n 3 weken geleden. Het boek van Geurtz borduurt verder op mijn doorbraak. Zware kost? JA, definately. Maar het proces is prachtig en de uitkomst kan alleen maar in mijn voordeel zijn: mezelf (terug) vinden. Ik heb nog 40 jaar te gaan (yes please!), dus het profijt is langdurig.

Geurtz wijdt een deel van een hoofdstuk aan het fenomeen waarom we de ene persoon wel aardig vinden en de andere niet. Waar ligt dat aan? Omdat sommige personen nou eenmaal leuker zijn dan andere, denken we meestal. Maar is het niet vreemd dat personen die jij niet aardig vindt, door andere mensen wel aardig gevonden worden? En dat jij door sommige mensen aardig gevonden wordt en door anderen niet. Hier klopt iets niet. Want als “aardig” of “onaardig” eigenschappen waren van de personen zelf, dan zouden er dus in absolute zin aardige en onaardige mensen moeten zijn en dan zouden alleen de aardige mensen door iedereen aardig gevonden worden, terwijl de onaardige door niemand aardig gevonden zouden worden. Onze waardering van anderen is grotendeels gebaseerd op projectie van onze eigen gevoelens.

Kijk naar jezelf: waarom ben je met de partner met wie je bent? Welke eigenschappen heeft hij of zij waardoor je het gevoel hebt dat hij of zij bij jou hoort? Ei-gen-schap-pen. Maar het moet meer zijn dan eigenschappen om van iemand onvoorwaardelijk te kunnen houden. Het moet een diep gevoel van verbondenheid zijn op een dieper niveau. Op ziels-niveau. En daar kun je geen naam aan geven. En daar zou dan dat onvoorwaardelijk-houden-van moeten zitten. Zoiets?

En dus: mijn zoektocht is gaande, duurt voort, en dat zal een leven lang zijn. Hopelijk niet elke keer naar het zelfde onderwerp, want her en der een oplossing vinden voor waar ik tegen aan loop, zou toch fijn zijn ;-), maar zoekende in alles wat er op mijn weg komt.

“Alles is zoals het is”

De herberg – Jalaluddin Rumi, Perzische dichter (1207-1273)

De mens-zijn is een soort herberg:
Elke ochtend weer bezoek.

Een vreugde, een depressie, een benauwdheid,
een flits van inzicht komt
als een onverwachte gast.

Verwelkom ze; ontvang ze allemaal gastvrij!
Zelfs als er een menigte verdriet binnenstormt
die met geweld je hele huisraad kort en klein slaat.

Behandel dan toch elke gast met eerbied.
Misschien komt hij de boel ontruimen
om plaats te maken voor extase…

De donkere geachte, schaamte, het venijn,
ontmoet ze bij de voordeur met een brede grijns
en vraag ze om erbij te komen zitten.

Wees blij met iedereen die langskomt.
De hemel heeft ze stuk voor stuk gestuurd
om jou als raadgever te dienen.

Ik zeg: GO  RUMI, GO RUMI, GO RUMI! 🙂

Zo dus.

Afbeelding

Gewoon

Wat is gewoon? Wie heeft dáár de definitie van? Niemand. Alles wordt beoordeeld of veroordeeld vanuit je eigen kijk op de wereld, jóuw ervaringswereld, jóuw normen en waarden.

Sinds Jeroen’s overlijden is mijn wereld niet meer hetzelfde. Een dagelijks gevoel van “ik ben anders, want ik ben weduwe”. In mijn binnenste is een gat geslagen. Er is fundamenteel iets veranderd in mijn kijk op het leven. Het Leven. Waar ik voorheen veel dingen als annoying ervaarde, voel ik nu vaak: lekker belangrijk. Lek-ker-be-lang-rijk.

De eerste maanden was dat het ergst. Terwijl ik wist (en weet): ik moet de dingen niet bagataliseren. Iedereen in zijn leven heeft zijn eigen waarheid. Maar veel van die waarheden van anderen werden voor mij “lekker belangrijk”. Want ik ben mijn man verloren. Hoezo heb je pijn in je kleine teen? Hoezo vind je het belachelijk dat je 10 euro moet betalen voor een kermisattractie? Hoezo irriteert het je dat de winkelbediende je zegt dat de aanbieding waarvoor je komt niet vandaag, maar pas morgen in gaat? Echt: lekker belangrijk.

Voordringers in de winkel: ik laat ze gaan. Niet omdat ik het fijn vind om over me heen te laten lopen of de confrontatie niet aan durf, maar omdat ik het lek-ker-be-lang-rijk vind. Ik ben mijn man verloren.

Ik ging van 90 km per uur naar 180. Het leven is kort! Volg je hart! Realiseer je dromen! Maak keuze en DOE! Er wordt zooo veel gepraat over dingen willen. Maar dan… Niet lullen, maar DOEN! Ik ben de eerste maanden enorm ongeduldig geweest naar mensen toe. Irriteerde me aan de traagheid van beslissingen nemen. Projectie van mijn ervaring: de dood van Jeroen. Live! Laugh! Love! Geen gedraaikont, maar DOEN!

Het eerste half jaar na Jeroen’s overlijden dacht ik wanneer ik naar buiten ging of in gezelschap van mensen was: zien jullie niet dat ik weduwe ben? Staat dat niet met grote letter op m’n voorhoofd geschreven? Ik bén anders dan jullie. Tenminste, dat dacht en denk ik. Want wie weet liepen er tussen die mensen ook mannen en/of vrouwen die hun partner waren verloren. Van de buitenkant zie je niet in welke situatie iemand zit. Ik wilde dat iedereen het van  m’n voorhoofd af kon lezen. Kijk nou: ik BEN anders. Waarom hebben jullie het zo leuk, genieten jullie en is er niets aan de hand? Waarom doen jullie gewoon? Het leven IS niet gewoon. Want ik ben mijn man verloren.

Wil ik dan dat iedereen weet dat ik weduwe ben? Wil ik die aandacht? Dat is het niet zozeer. Maar het is een té groot onderdeel voor mij om het er níet over te hebben. Want het feit dát ik weduwe ben, heeft een verandering  bij me te weeg gebracht. Die invloed heeft in het contact met mensen. Nee, ik wil geen “wat heb ik medelijden met jou”, vooral niet. Blegh. Maar wel (eventueel) begrip voor hoe ik acteer en waar dingen bij me vandaan komen. Waarom ik zeg wat ik zeg. En doe zoals ik doe.  Nee, mijn weduwe-zijn is niet een vrijbrief om lop en bot te doen, omdat ik door het proces van verlies dingen geleerd heb. Maar ik ben wel confronterender geworden naar mensen.

En dan rijst meteen de vraag: wie ben ik zonder mijn verhaal? Mijn Zijn is niet mijn verhaal. Want ik Ben. Zonder verhaal. Maar iedereen heeft graag een kapstok om zijn karakter en aangeleerde “eigenschappen” aan te op hangen, zo ook ik. Laten zien waarom je nu bent wie je bent. Dat heeft een verhaal nodig.  Vinden wij. Want anders kun je worden afgekeurd op je gedrag omdat ze “het verhaal” niet kennen. Hmmmm…

Ieders leven ging gewoon door na 20 maart 2013. Ook die van mij. Maar dan anders. Na de eerste weken, overstelpt door kaarten, bezoeken en telefoontjes, ging de storm liggen.

Toen Jeroen en ik in 2003 een goeie vriend van ons verloren aan longkanker, hij was toen 37, zaten we met 10 vrienden bij mijn vriendin. Ik weet nog dat ik tegen die groep zei: níet na 2 of 4 weken niets meer van je laten horen. De aankomende maanden heeft ze ons nodig. “Nee, tuurlijk niet, uiteraard zijn we er voor haar!”. Ik was bijna de enige die bleef komen. Bleef bellen. De rest haakte af. Het leven ging gewoon door. Tóen al voelde ik de belangrijkheid van het er zijn voor iemand in zo’n periode. Niet voor 2 of 4 weken daarna, maar voor máánden daarna. En ineens zat ik er zelf in. Behoorde ik ineens tot “het lastige volk van weduwen en weduwnaren”.  Want o jee: hoe ga je met zulke mensen om?

Ik heb gemerkt dat bij mij de harde kern over bleef voor steun. Mijn innercircle. Zonder hulp van anderen redt niemand het. Karin Kuiper schreef een boek “Je mag me altijd bellen, 1001 dagen van rouw”.  Bovenaan haar ergernissenlijst stond het goedbedoelde zinnetje ‘Je mag me altijd bellen’. Want hoe welgemeend ook, dit is ‘hulp’ die je met lege handen achterlaat… Omdat je in je diepste wanhoop niet wilt bellen en niet kán bellen, omdat je slechts denkt: Nee, het gaat niet! Zij moeten mij bellen! Maar dan kom je weer bij het stuk: ik weet niet wat ik moet zeggen als ik haar bel. Of: ik weet niet of ze nu wel behoefte aan me heeft. Of: misschien tref ik haar op een heel slecht moment. De gedachtengang is dan: als ze me nodig heeft, belt ze wel. Ik héb haar gezegd dat ze me altijd mag bellen… Ehhh…Ja…

Het is geen verwijt, zeker niet, maar het is dubbel. Mijn telefoon en deur stonden altijd open in de maanden na Jeroen’s overlijden. Ik verwelkomde iedereen. Maar ik snap dat de mensen die steun wilde geven dit ook bij mij wilde laten liggen. Mij laten bepalen wanneer er welke behoefte was. Die ik kenbaar moest maken. Want dat konden zij niet inschatten.

Maanden na het overlijden van Jeroen kreeg ik op kantoor een rouwkaart van ons contactpersoon van het pensioenfonds. Ik had altijd goed contact met hem gehad. Zijn vrouw was overleden. Ik heb de kaart doorgestuurd naar huis en een week later op het balkon, in de zon, pakte ik een kaart om naar hem te sturen. Ik zat klaar met m’n pen. Die boven de kaart bleef zweven. Niet weten wat te schrijven. Voor het eerst voelde ik, omdat ik er zelf in had gezeten, wat het was om de woorden niet te vinden voor zoiets groots. Alle woorden raken geen grond. Want het is iets heftigs om je partner te verliezen. Wat moest ik zeggen? Ik heb er nog over gedacht wat kaarten die ik had ontvangen te pakken en daar tekst uit te jatten. Maar nee, dat kon ik niet maken. Ik wilde iets vanuit mezelf schrijven. Het heeft even geduurd en het kwam. Maar nog: woorden waren maar woorden, ik was niet in staat de diepte van zijn gemis te raken met mijn woorden.

Het leven gaat “gewoon” door, in een ongewone hoedanigheid. Een jaar van leren, vallen, opstaan en weer doorgaan. Zoals zovele weduwen en weduwnaren. Het leven is TE mooi om voorbij te laten gaan, óók na zoiets heftigs.

Het Nederlandse motto “doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg” heb ik weg gegooid. Want wij mensen zijn uitzonderlijk. Uitzonderlijk mooi en tot vele prachtige dingen in staat. En dat mogen we laten zien. Op ieders eigen manier. Ook al wijkt dat af van “de norm”. Die niet bestaat. Lekker “gewoon” blijven kan werken. Maar ik ben liever bijzonder in mijn gewoon blijven. Gewoon omdat dat kan :-).

Allemaal zijn we bijzonder. Gewoon Bijzonder.
Allemaal zijn we bijzonder. Gewoon Bijzonder.