Rouwen: ehhhh…Hoe werkt dat?

28 augustus 2000. Ik was toen 26 jaar. Ik had vakantie, was thuis en de telefoon ging. Ik kreeg het nieuws dat mijn zus Iris was overleden. 44 jaar was ze. Ze was voorzover wij toen wisten niet ziek. Ze had enige tijd last van af en toe blackouts. Maar was nog niet naar de huisarts hiervoor geweest. Ze woonde met mijn zwager op een woonboot. Op deze dag had ze weer een black out. En was in het water gevallen. Verdronken. Autopsie wees uit dat ze een hersentumor had.

Ik heb gehuild. Het was onwerkelijk. Maar mijn reactie toen was dat gaandeweg ook. Ik ben niet met mijn zus opgegroeid. Zij was het huis uit toen ik geboren werd. We hebben nooit echt een zussenband opgebouwd, een glimp daarvan kwam pas een paar jaar voor haar overlijden. Ik werd ouder en kreeg behoefte om haar te leren kennen. We woonden niet bij elkaar in de buurt, dus we schreven brieven. Wilden een keer samen gaan shoppen. Dat is er nooit van gekomen. De brieven heb ik nog.

Ik redeneerde mijn gevoel van verlies weg. “Ik was toch niet met haar op gegroeid. We hadden relatief weinig contact”. Ik had geen foto’s van haar, dus die stonden ook niet ergens in huis. Ik kwam niet tot mijn gevoel van verlies. Want “we hadden toch niet echt veel contact”. Anderhalf jaar later toen ik bij een psycho-therapeut was, kwam het verlies er uit. En hoe ik daar mee was omgegaan. De Klap. Alsnog de rouw in. Voor zover ik een idee had wat dat zou “moeten” zijn.

28 december 2009. Ik was toen 35. De telefoon ging. Ik kreeg het nieuws dat mijn broer Damian was overleden. 48 jaar was hij. Hij was al een tijd ziek. Darm- en leverkanker. Met Damian had ik wel een echte broer-zus band. Hij was dol op zijn “kleine zusje”. Ook hij was het huis al uit toen ik geboren werd. Hij en ik zagen elkaar wel. En belden elkaar wel.

Door mijn ervaring met het verlies van Iris wist ik: nu wil ik hier anders mee om gaan. Ik besloot ook voor het eerst van mijn leven te kijken maar de dode, dat had ik voorheen niet gedurft. Ik had binnen de familie al eerder mijn 2 oma’s verloren en een tante.
Hij lag er mooi bij. Maar wat vónd ik het vreemd om een dood iemand te zien. Aanraken durfte ik niet.

Ik heb foto’s van hem in huis neergezet en opgehangen. En ging echt in mijn verdriet zitten. Keek veel naar de foto’s, praatte tegen hem, stak kaarsjes aan. Ik ging direct de rouw in. En het voelde goed. Ik snapte nu het gevoel van verdriet dat samen ging met het verlies.

20 maart 2013. Ik was toen 38. En vond Jeroen, dood op bed. 47 jaar was hij. Jeroen was zover ik wist niet ziek. Hij had binnen 2 weken 2x een flinke griep te pakken, dus op moment van overlijden was hij ziek. Autopsie wees uit dat zijn hart bijna 3 keer zo groot was. Zijn laatste griep werd hem fataal. Door het overgeven een te grote druk op zijn hart en door de koorts moest zijn hart ook harder pompen. Het virus was op zijn hartspier gaan zitten. Zijn hart heeft het niet kunnen verwerken en in zijn slaap is hij vertrokken naar genezijde.

Toen ik Jeroen vond, was het donker. Ik was naar zijn bed gelopen, zijn naam roepen had hem niet wakker gemaakt, en begon hem heen en weer te schudden. Ik voelde onder mijn handen stijfheid. Hij bleek later al meer dan 12 uur dood te zijn. Ik deed het licht naast hem aan en zag hem: z’n armen, vuisten en gezicht waren donkerpaars. Neeeeeeee…… Dit KON niet. Toch blijven schudden. Wakker worden! Natuurlijk registreerde mijn brein dat hij dood moest zijn, maar dat KON niet. Mijn Jeroen kón niet dood zijn.

Ik gilde, rende naar de overloop en gilde om Paulina, die beneden was. Jeroen is dood! Jeroen is dood! Beiden hebben we 112 gebeld. En toen begon het circus. We moesten hem uit bed tillen om alsnog reanimatie toe te passen. Hoezó? Hij is stijf, godverdomme! Harstikke dood! Standaard procedure werd ons gezegd. En zo geschiedde. Paulina en ik legden hem op de grond. Hij lag in foetus houding. Ik moest zijn kaken pakken om adem er in te blazen. Maar dat ging natuurlijk helemaal niet. Die kaken zaten zo op slot als wat. Rigor mortis was al lang en breed ingetreden.

Er liep bloed uit z’n neus. En drupte op de grond. Het eerste wat door me heen schoot: NEE! Niet op het tapijt! Dat wordt zo’n zooitje! Té bizar hoe je brein dan werkt…

Ik kwam voor de 3e keer in de rouw. Op het moment zelf kon ik dat nog niet zeggen, dat ik in de rouw ging. Want dat gebeurt niet ter plekke, direct na een overlijden. Er moest van alles geregeld worden, dus echte rouw wordt uitgesteld, daar is geen tijd voor.

Na zijn crematie, 26 maart, kwam het besef: dit was het dan. En dan nu nog de dingen regelen die je als nabestaande moet regelen na het overlijden.

Rouw: ehhhh…. Hoe werkt dat? Er is geen handboek voor rouw. Waar ik me door het overlijden van Iris en Damian terdege bewust van was geworden, was dat ik in mijn gevoel “moest” gaan zitten. En dat gebeurde. Vaak automatisch en gaandeweg ook bewust in het verdriet stappen. Dan overviel het me niet, maar ging ik bij de kist met Jeroen’s foto’s zitten, kwamen de gedachten en gevoelens en huilde ik. Huilen, huilen, huilen. Trok ik zijn jas aan, waar zijn geur in zat, of zijn tshirt, praatte ik tegen hem, keek ik naar de collage met foto’s, onze trouwfoto, liep ik door zijn oude kamer in ons huis, pakte foto’s, sliep in zijn tshirt. Of keek naar de foto’s van Jeroen in de kist. Die mijn moeder had genomen. Nooit gedacht dat ik er naar zou kijken naderhand, maar ik bekijk ze vooralsnog zo’n eens in de 2 maanden. Die momenten voelen het heftigst. Want dan zie ik hem weer. Paars en dood. Hóe erg kan ik mezelf confronteren? Zo dus. En dat helpt. Ik dompelde me onder in het gevoel van verlies en verdriet.

Ik was bang dat als ik er (weer) niet in zou stappen, in het verdriet, De Klap later toch zou komen. Want daar was ik van overtuigd. Dus nee, ik moest NU “handelen”, dus het verdriet de ruimte geven.

Mijn uitvaartbegeleidster zei me al snel na het overlijden: afval verwerk je, rouw verwerk je niet. En dat is. En “het een plekje geven”? Daarbij denk ik aan een boekenkast. Is er nog ruimte om mijn verdriet ff neer te zetten? Die uitdrukking, “het een plekje geven”, doet het ‘m niet voor mij.

Naief als ik was, dacht ik dat na de eerste paar maanden het verdriet al minder zou worden, want tijd heelt immers alle wonden. Toch…? En dat leek het ook te doen, maar dat was nog steeds meer het gevoel van overleven en nog steeds niet het volledige besef dat Jeroen niet meer terug zou komen. Naarmate de tijd verstreek werd het gevoel juist erger: hij komt écht niet meer terug. Dat heeft blijkbaar lang nodig. Hoe langer hij weg is, hoe erger het besef is dat hij niet meer terug komt.

Donderdag 20 maart jl., toen hij een jaar overleden was, heb ik ’s avonds bij vrienden de dvd van zijn crematie weer bekeken. Voor de 2e keer. Ik vond het fijn om de hele ceremonie weer te zien. De uitvaart was práchtig. Gevoelsmatig stond ik daar weer. Wat ik die dag voelde, kwam weer boven. F** confronterend. Vooral aan het einde dat herkenbare besef: godverdómme, je bent écht dood. Hoe kán het toch? Hoe onwérkelijk is dit?

Ik heb Jeroen samen met een goeie vriendin naar de oven begeleid. Samen gekeken hoe de vlammen de kist vatte en tot as verging. Voor mij was die afsluiting nodig. Een cirkel die rond was. 19 jaar samen met Jeroen, ik die hem dood aantrof en ik die hem naar de oven begeleidde om hem op te zien gaan in rook. Dat is allemaal onderdeel voor mij geweest voor mijn rouw.

Het as heb ik samen met zijn broers 20 maart jl uitgestrooid. Weer een stap verder. Er is nog weinig nu wat over is als het gaat om tastbaarheid. Zijn facebook pagina bestaat nog, die kan ik nog niet deleten. Zijn bankrekeningnummer bestaat nog, het lukt me niet om die af te sluiten. Ik wil zijn naam nog zien als ik de rekeningnummers bekijken. Het voelt als een soort van laatste houvast in de ether. En ook: als straks alles weg is van hem, dan wordt ie vergeten. Zo werkt nu mijn brein nog. Alsof ik zijn facebookpagina en zijn naam op zijn bankrekeningnummer nodig heb om hem niet te vergeten. Naast alles wat in mijn hart zit, draag ik onze trouwringen en onze vriendschapsringen. Mijn rechterhand is bling-bling :-). 4 ringen. De mijnen aan m’n ringvinger, de zijnen aan mijn middelvinger. Hoe tastbaar wil ik het hebben?

Door de dood van Jeroen is er iets wezenlijks veranderd in me. Het is een dagelijks besef van de vergankelijkheid van het leven. Dat je je dromen achterna moet gaan. Je vanuit je hart moet leven. Maar er is ook iets waar ik m’n vinger niet op kan leggen. Elke dag vóel ik dat er iets heftigs gebeurd is in mijn leven. Dat zingt in mijn lichaam. Ondanks dat ik het leven prachtig vind en veel geniet van dingen, blijft er een ondertoon van gemis. Er is een stukje “verdwenen” van mezelf door Jeroen’s overlijden.

Note to the Universe: ik heb rouw nu wel begrepen, hoor. Laat me voorlopig maar ff met rust als het gaat om doodgaan van dierbaren. Ik heb mijn portie voor nu wel ff gehad.

Afbeelding

Advertenties

Van de regen in de….?

Ik heb in de ruim 19 jaar dat ik met Jeroen samen was nogal wat gehad aan “psychische klachten”. Eind 1995 werd ik geconfronteerd met het fenomeen Hyperventilatie. Ik dacht dat ik dood ging. Letterlijk. Ik ben een week thuis geweest.

Ik had af en toe uitbraken van hittegolven in mn lijf. En m’n hart ging op momenten vre-se-lijk tekeer. Sloeg over en ratelde maar door, in up tempo. Nou houd ik van up tempo, maar dan wel in de muziek :-).

In 1998 kwam het volgende verschijnsel: paniekaanval. Op kantoor. Ik werd niet goed. Gelukkig woonde ik tegenoven m’n werk, dus was snel thuis. Het was alsof ik buiten mezelf getreden was en een vage entiteit me had overgenomen. Ik wist niet wat me overkwam. Wát een angst.

Vanaf dat moment kwam ik in een neerwaartse spiraal terecht. Angst voor de angst. Plein- en straatvrees dienden zich aan. Maar Lot zou Lot niet zijn als ze zichzelf niet regelmatig een schop onder d’r kont zou geven, want fulltime binnen zitten: NO WAY. Met alle symptomen van dien, ging ik tóch er op uit.

Een 2e paniekaanval is er nooit gekomen. En toch, door de angst voor de angst, heb ik hier 8 jaar mee rondgelopen. En ja, psycholoog hier, GGZ daar, ademtherapie hier, ontspanningstherapie daar. Maar zonder er al te veel baat bij te hebben. Het advies was: laat die paniekaanval maar komen, ga zitten, pak een kussen en houdt die stevig vast en ga er doorheen. HoeZO er doorheen? Ben je niet goed? Angst, angst, angst.

Ik ging aan de medicatie. An-ti-de-pre-ssi-va. Binnen 4 dagen werkte die rotzooi en wat was ik blij! Maar wat wérd mijn gevoel afgevlakt… Na ruim een jaar de pillen te hebben geslikt was het tijd om te stoppen. En na een paar maanden begin het langzaam terug te komen. Toen ben ik het in voeding gaan zoeken. Geraffineerde suikers laten staan, magnesium slikken, zink, vitamine B en al dat meer. En dat hielp. Inclusief de kilo’s die ik daardoor kwijt raakt ;-). Ik besloot toen nooit meer aan de antidepressiva te gaan.

Jeroen is altijd mijn vangnet geweest. Hij was er altijd. Hij ging relatief weinig stappen en als ie ging, dan was het drama, want ik alleen thuis en dus alle verschijnselen  van de angst voor de angst voor een paniekaanval. En dan bleef ie soms thuis. Of ik belde ‘m de kroeg uit. Alles stond in het teken van het opvangen van mij. En hij klaagde nooit. Als je van iemand zo veel houdt als ik van jou, dan doe je dat. Zonder mokken. Dat is liefde, zei hij.

Hoe fíjn zijn bescherming en opvang ook was, zo “slecht” is het voor me geweest. Ik heb niet m’n eigen boontjes leren doppen. Als hij me niet zo had opgevangen, was ik er veel eerder doorheen gekomen. Maar dat zag ik op dat moment niet. Uiteraard ben je er voor je geliefde, maar er zijn verschillen in hulp geven. Als altijd maar iemand het voor je oplost, leer je niet je eigen kracht kennen. En bepaalt de ander hoe je functioneert. Want alleen functioneer je niet. En dat was het in onze relatie: hij deed álles voor me. Ik was zijn bloemenmeisje. En haar beschermde hij.

Twee weken voor ons trouwen in juli 2006 kreeg ik op kantoor een mental breakdown. Zó veel jaren met nervositeit in je lijf rondlopen gaat een keer wreken. Het eerste wat ik riep: geef me pillen! Ik was er zó klaar mee. En zo geschiedde: weer aan de antipressiva en dit keer een soort waar m’n gevoel wél bleef alleen de pieken wat minder hoog waren  en de dalen minder diep.

Ik heb ze 5 jaar geslikt en op 5 mei 2012 was ik dan afgebouwd en wel. Ik voelde me goed. Langzaam kregen de processen in mijn lijf en geest weer zijn origine terug. En dat had gevolgen. 3 maanden later gebeurde er iets waardoor ik van het bloemenmeisje ineens vrouw werd. En dat op m’n 38e. Het was een transformatie. Met gevolgen voor de relatie tussen Jeroen en mij. Ik wilde op m’n eigen benen staan, had nog nooit op mezelf gewoond. Wie was ik zonder Jeroen? Wat wilde ik in mijn leven? Wilde ik nog met Jeroen verder? Binnen 2 weken na De Kentering, zoals een vriend van mij dat zo mooi zei, ben ik een maand het huis uit gegaan. Ik voelde me verstikt, wilde weg, nadenken en voelen.

Na die maand zijn Jeroen en ik op vakantie gegaan 2 weken en besloten we te gaan LAT-ten. Per november 2012 woonde ik alleen. Ik ging van 18.5 jaar zoekende naar rust (ik was er ook achter gekomen dat ik HSP ben: Hoog Sensitief Persoon) ineens naar het andere uiterste: ik wilde léven! De wereld in trekken. Ik leefde op adrenaline. Daar waar ik voorheen 8-9 uur per nacht sliep, ging ik nu op 6 uur. En voelde ik me energiek.

Jeroen en ik zochten een weg met elkaar, maar die was moeizaam. En dat was door mijn toe doen. Ik wilde ruimte en weinig contact.

Januari 2013 was een maand van helemaal geen contact. Bewust, vanuit Jeroen vandaan geinitieerd. Dan wist ie waar ie aan toe was, hoefde hij niet de teleurstelling te verwerken, alweer, wanneer ik weer eens zei niet samen te willen eten. Of samen uit te willen gaan. Ik koos voor mezelf, liet hem soort van links liggen. Hij had het zó moeilijk met de situatie, het vrat hem op.

Vanaf februari zouden we elkaar weer iig in de weekenden zien. En leuke dingen gaan doen. Verandering van omgeving opzoeken. Voelen wat er nog bij ons, tussen ons leefde. En dat ging met vallen en op staan.

Anderhalve week voor zijn overlijden belde hij me. Hij wilde zijn leven omgooien. Hij zat al een tijd vast met zichzelf en wilde gaan bewegen. Hij had een overtuiging in zichzelf gekregen en wilde acteren. Actie. Zou die verandering bij hem dan tóch nog iets doen voor de doorstart van onze relatie? Maar aan de andere kant: er waren al zoveel dingen gebeurd tussen ons, gevoelens en frustratie hadden zich opgestapeld en mijn gevoel voor hem was duidelijk veranderd. Zou zijn beweging helpen om mijn gevoel weer terug te brengen van vóór De Kentering? Ik had grote twijfel. Maar ook vage hoop.

En toen overleed hij. Volop in zijn energie en overtuiging om wat van zijn leven te maken, zoals hij dat zelf zei. Ik was toen écht alleen. Althans: zonder partner.

Van de regen in de drup? Mijn conclusie was en ís een nee. Alles viel op z’n plek. Van de antidepressiva af, maanden later De Kentering, uit huis, LAT-en, ik, wie altijd op Jeroen leunde en mezelf en mijn eigen kracht niet kende, ging op mezelf  wonen. Alleen zijn, wat ik in de tijd vanaf 1998 niet durfde.  Want wie beschermde mij dan? En vervolgens overleed Jeroen. Voor mij haakte alles in elkaar: alles was gebeurd in een jaar tijd om mij voor te bereiden om op eigen benen te leren staan.

Ik heb nooit vragen als “waarom overkomt mij dit”? gehad. Omdat ik weet dat dingen in het leven gebeuren met een reden. En die reden zie je pas later. Bij Jeroen’s overlijden had ik dus ook geen waarom-vraag. Je zou net zo goed kunnen vragen ‘waarom niet?’. Waarom zou Jeroen niet overlijden en de buurman wel? Zelfde als je op de desbetreffende leeftijd bent dat je kinderen kunt krijgen, je de vraag krijgt: waarom heb je geen kinderen? Ehhhh…. Waarom heb jij wél kinderen?

Omdat ik niet geloof in toeval, weet ik dat Jeroen’s taak op aarde klaar was. Anders was hij er nog wel geweest. 1 van zijn ‘taken’ is geweest om met mij samen te zijn. Samen te groeien, lachen, huilen, ruzie te maken, gekke dingen te doen, liefde te delen, muziek te maken. En zijn laatste taak voor mij was om mij zelfstandig te maken. Mezelf te laten leren kennen. En daar ben ik hem ongelooflijk dankbaar voor. Want wat hééft hij van mij gehouden en wat hééft hij mij ruimte gegeven op het moment dat ik weg ging. Met alle pijn en verdriet die hij ervaarde.

Dat ik geen waarom-vragen heb, maakt het aanvaarden van dat was is makkelijker. Betekent uiteraard niet dat ik fluitend door het leven fiets en mijn verdriet en op momenten mijn eenzaamheid er niet zijn. Maar het geeft een stuk meer lucht om te beseffen dat toeval niet bestaat.

Hoe heftig en verdrietig het hele proces ook geweest is, inclusief zijn overlijden: het heeft een reden. En een stukje van die reden is voor mij zichtbaar. Want ik ben op eigen benen komen te staan en heb mijn eigen kracht ontdekt. Ik ben gaandeweg van half mens naar heel mens gegroeid. Een weg die nog lang niet gelopen is. Het Leven.

Regendruppel

Ik hou van jou – deel 2

8 maart zou Jeroen 48 jaar geworden zijn. Het vooruitzicht van zijn verjaardagsdatum was geen steen in m’n maag, maar wel “een datum”. Ik ben altijd van data geweest. En de zwaarte die aan data kunnen hangen.

Ik ben nu bijna een jaar verder: 20 maart 2013 overleed Jeroen. En zo meteen heb ik alle dagen van het jaar 1 keer gehad. Wordt het 21 maart 2014 dan anders? Neuj. Maar de ervaring wat alle dagen met me heeft gedaan, daar gaat het om. Is een hoofddingetje.

Er wordt iets algemeens gemaakt van wanneer je speciaal meer in de rouw moet zijn dan anders. Op je trouwdag. Op de dag dat je kind(eren) geboren is(zijn). Met Kerst. Met verjaardagen. Het moment van samenwonen. De dag dat je samen je eerste huis kocht. Mensen vroegen mij niet: hoe was je kerst? Nee, er werd gezegd: was zeker moeilijk, he, met deze dagen? Niks geen open vraag. Invullen maar. Er wordt extra rouw gelegd op die dagen door de buitenwereld. Maar voel ik dat zelf ook?

De eerste datum na Jeroen’s overlijden was mijn verjaardag: 24 april. Ik zag niks spannends aan die dag. Totdat het 24 april was. En wat vond het ik het moeilijk. Had ik niet gedacht. Daarna onze trouwdag: 25 juli. Zouden we 7 jaar getrouwd zijn. Moeilijke dag? Niet moeilijk, maar weird. Onwerkelijk. Ik heb dezelfde kleren aangetrokken die ik droeg toen we trouwden. In diezelfde kleren stond ik ook bij zijn crematie. En het voelde fijn. “Ik heb me mooi gemaakt voor m’n man”, zei ik op onze trouwdag op het werk. Want Jeroen blijft mee kijken met me. Altijd. Dus kan ie nog genieten van hoe ik er uit zie. Ik ben de lulligste niet ;-).

Data zeggen niks over je gevoel. Je wordt een gevoel ingezogen door gedachten die je hebt óver die data.

24 november 2012 was de laatste keer dat ik Jeroen verteld heb, per sms, dat ik van hem hield. We zaten in stormachtig vaarwater, woonden sinds begin november niet meer samen (we waren gaan LAT-ten, lekker old-school). En de keer daarop dat ik zei dat ik van hem hield, was toen hij van zijn etage waar hij woonde naar de eerste verdieping was gedragen. Dood. Ik stond bij hem, iedereen liet me alleen met hem en ik huilde, huilde en huilde. En zei tegen hem dat ik van hem hield, bijna 4 maanden later na de laatste keer. Ik voelde het opkomen. Hoe moeilijk het ook was tussen ons op dat moment in ons leven, het nam niet weg dat ik van hem hield, al was de vorm anders geworden.

Houden-van. Het is iets universeels. En wij maken er iets aards van. Iets gekoppeld aan een persoon omdat hij of zij eigenschappen heeft waar je van houdt. Dat is geen universele liefde, dat is aardse liefde. Ik zoek de hogere liefde, de universele liefde. In mezelf voor mezelf. En in mezelf  voor anderen. Een flow van binnen naar buiten. En terug. Een zoektocht hoe dat te bewerkstelligen.

Ik had afgelopen vrijdagnacht een droom. Een bizarre droom waar vanalles gebeurde. Ik was bij mijn beste vriend, de nacht naar Jeroen’s verjaardag toe. We hadden die avond en deel van de nacht gesproken over de zoektocht naar “wie ben ik?” en de processen die daarmee samenhangen. Het begint bij liefde voor jezelf. Acceptatie van wie je bent, in al je kwetsbaarheid. In al je zelfafwijzing. In al je oordelen. In alles. Ik voel dat ik de laatste weken terecht ben gekomen in een stroomversnelling t.a.v. mijn ontwikkeling. En dat ik moet doorpakken. Dat ik de zogenaamde leegte waar ik bang voor ben om die te voelen in “moet” stappen. Hetgeen betekent dat ik me terug ga trekken uit bepaalde situaties, bepaalde dingen niet meer wil gaan doen. Keuzes moet maken. Wie ben ik zonder bepaalde dingen in mijn leven? Wat en wie kom ik dan tegen in mezelf?

De droom gaf mij een prachtig beeld van hoe het is: aan 1 kant van mijn mond braken mijn kiezen. Volledig afgebrokkeld, kapot, er onstond een enorm gat. En uit dat gat viel een groot doorzichtig, gepolijst hart op de grond. Voor mij de kern van waar ik naar zoek (terwijl het er al is): ik ben heel en volmaakt als mens (het gepolijste hart), ik ben liefde. Die liefde zit in mezelf en liet zich zien door dat doorzichtige hart uit me te laten vallen. De mond staat voor jezelf hoorbaar maken. En wat heel, heel erg in mijn aard zit is mijn verhaal delen met anderen. Ik praat, dus Ik Ben/Besta. Ik ben heel open, omdat alles wat we mee maken, anderen vaak ook mee maken. Met her en der natuurlijk nuance verschillen. Situaties en gevoelens zijn universeel. Ik ervaar ze daarom niet echt als “persoonlijk” en daarom deel ik veel en makkelijk. Maar daarmee heb ik niet geleerd wie ik ben zonder mijn verhaal te vertellen. Het idee dat ik mijn verhaal “moet” minimaliseren of zelfs helemaal niet ga vertellen, brengt me een gevoel van leegte en eenzaamheid. En een stukje benauwdheid. Letterlijk. Wie ben ik dan als ik niet meer alles deel met anderen? Veeeel minder woorden gebruik. En veel dingen wellicht niet meer vertel. Wat doet dat met me? Ik voel het als een enorme uitdaging om dat te gaan onderzoeken. Ik ga de leegte aan, die me ruimte gaat geven. Hoe dat gaat voelen weet ik nog niet, maar ik heb er zin in.

Maar eerst nog even op naar de laatste data van “de eerste keren na Jeroen’s overlijden”: 24 maart de condoleance dag en 26 maart zijn crematie dag. Ik voel dat ik daarna pas de stap wil zetten tot verstilling. Maar ik zal wel blijven bloggen. Bloggen voelt voor mij anders, dan waar ik het hierboven over heb. Omdat ik door bloggen contact maak, in stilte, alleen, met mezelf.

Liefdes water

Harry Jekkers – Ik Hou Van Mij

Ik hou van.. mij
hoor je nooit zingen
Ik hou van mij
wordt nooit gezegd
maar ik hou van mij
ga ik toch zingen
want ik hou van mij, van mij alleen en ik meen het echt, hehehehe!

Ik hou van mij, want ik ben te vertrouwen
Ik hou van mij, van mij kan ik op aan
Ik hou van mij, op mij kan ik tenminste bouwen
Ik hou van mij en ik laat mij nooit meer gaan!

Ik blijf bij mij, en niet voor even
Ik blijf bij mij, voor eeuwig en altijd
ben zelfs bereid mijn leven voor mezelf te geven
ik blijf bij mij, totdat de dood mij scheidt!

Ik hou van jou
zeg ik soms ook wel
Ik hou van jou, schat en ik meen het echt
maar ik hou van jou zeg ik alleen maar voor de spiegel
zo komt ik hou van jou weer bij mezelf terecht, heeey!

Ik hou van mij, van mij, van mij
en van geen ander, yeah yeah!
Want ik ben verreweg, de leukste die ik ken, jeuh
Ik hoef mezelf zonodig ook van mij niet te veranderen
ik hou van mij mezelf, gewoon zo als ik ben

Want ik hou van jou
betekent meestal:
schat, hier heb je mijn problemen, los maar op, jeuh!
ik leef in een hel en verwacht van jou de hemel (ja)
Je geeft de hel weg, dank je wel zeg,
rot lekker op

Want houden van een ander,
dat heb jij alleen maar nodig
omdat je niet genoeg kan houden van jezelf
Hou van jou joh, maak de ander overbodig,
want ware liefde, geloof me, begint áltijd
bij jezelf

want ik hou van jou is niet de sleutel tot de ander
maar ik hou van mij, al klinkt het bot en slecht
want wie van zichzelf houdt, die geeft pas echt iets kostbaars
als ie ik hou van jou tegen een ander zegt

Ik hou van jou

“Ik hou van jou”. Hoe vaak zeggen we dat niet tegen onze geliefde? Tegen onze ouders? Broers? Zussen? Vriendinnen en vrienden? Kinderen? Ik zeg het heel regelmatig. En tegen Jeroen heb ik het heel, heel, heel vaak gezegd. Ik wil dat de mensen die me dierbaar zijn, weten dat ik van ze hou.

Maar wat is houden van? Dat is de vraag die mij sinds een maand of wat bezig houdt. Omdat ik ben gaan twijfelen aan mijn houden van. Of laat ik het anders zeggen: naast mijn ouders, houd ik niet onvoorwaardelijk van iemand. En als je niet onvoorwaardelijk van iemand houdt, is het houden van dan wel écht? Kijkend naar mezelf moet ik daarop het antwoord “nee”geven.

Je kunt je voorstellen: dat voelt hard. En confronterend. Ben ik in staat om onvoorwaardelijk van iemand te houden buiten mijn ouders om? Vooralsnog moet ik die vraag beantwoorden met een nee. Pijnlijk? Ja. Maar voor mij voelt onvoorwaardelijke liefde (nu nog) als een utopie. Mijn idee van onvoorwaardelijke liefde is dat je dan Boeddha moet zijn. Verlicht.

We houden van iemand omdat hij of zij eigenschappen heeft die we en/of zelf hebben en/of zelf missen en de ander aanvult. In de fase van verliefdheid, zijn we de eerste periode blind, zien we de ander zijn of haar onvolkomenheden niet. Je vindt alles aan de ander geweldig en er bestaat niemand anders op de wereld met wie je samen wilt zijn, samen verder wilt gaan. Dat voelt voor mij als de fase van onvoorwaardelijkheid. Nog niet het houden van. Maar in de verliefdheid: “onvoorwaardelijk” verliefd zijn. Want hij of zij ís voor jou op dat moment de mooiste man of vrouw op aarde. Niks nieuws daar.

Naarmate de tijd verstrijkt, begint langzaam die roze bril af te gaan. Die wordt wat meer doorzichtig. En de onhebbelijkheden van de ander komen aan de oppervlakte. Langzaam aan beginnen de scheurtjes te komen. Je kunt gaan accepteren of gaan irriteren. Of een compromis sluiten. Wat uiteraard niet altijd lukt. En dan kom je weer bij: accepteren of irriteren. Of weg gaan, als het in jouw basis dusdanig belangrijk is.

Wat betekent onvoorwaardelijke liefde? Daar ben ik niet over uit, of beter gezegd: ik snap er geen reet van, heb totaal geen clue. Betekent het dat wanneer je man je slaat, je toch van hem blijft houden? Of dat wanneer je regelmatig ruzie hebt over 1 en hetzelfde onderwerp en geen van beide partijen water bij de wijn wilt doen en de spanning blijft, je toch van de ander blijft houden? Of dat wanneer je man of vrouw vreemdgaat, je nog steeds onvoorwaardelijk van hem of haar houdt? Of wanneer je man of vrouw je kinderen slaat, je nog steeds onvoorwaardelijk van hem of haar houdt? En dus: waar hóud je precies van? Van wíe? Of van wát in de ander?

Mijn gevoel bij onvoorwaardelijke liefde is dat je alles “goedkeurt” van de ander, ongeacht wat hij of zij doet of flikt. Maar dat KAN niet waar zijn. Ik WEET dat dat niet waar is. Maar wat is het dan wel?

Een vriendin van mij vertelde een paar weken geleden dat haar man haar altijd een 8 vindt. Ongeacht hoe goed of hoe slecht het tussen hen gaat, zij is voor hem altijd een 8. Zij daarentegen vindt haar man een 3 of 1 bij een (fikse) ruzie en een 8, 9 of 10 wanneer het (heel) goed gaat. Ik ben mijn vriendin.

Mijn houden van hangt af van de mate waarin mijn behoefte en gevoel tegemoet wordt gekomen. Feitelijk: hoe meer iemand in mijn straatje leeft en denkt, hoe meer ik van iemand houd. Hoe krom is dat? Maar het lijkt wel dat het zo werkt.  Bij mij i.i.g. Herkenbaar? Ik kan mezelf afkeuren dat ik dat zo ervaar, maar dat doe ik niet. Ik probeer te observeren dat dat gevoel in me leeft en probeer daar geen oordeel aan te hangen. Dat doe ik sinds kort. Ik probeer dingen in mezelf te onderzoeken en loopt de laatste paar weken tegen steeds meer dingen aan in mezelf waar ik niet blij van word. Waar ik mijn patronen zie, manipulatie, dissociatie en versmelting -> op dit moment lees ik het boek van Jan Geurtz: Verslaafd aan liefde.

Het boek gaat over liefde en lijden, maar veel meer nog over datgene in ons wat liefheeft en pijn lijdt, namelijk onze geest. Een voor mij mega intrigerend en raak boek. Wat me tot nu toe, ik ben bij blz 110, al een behoorlijk aantal “aha-erlebnissen” heeft opgeleverd.  En tranen. Van herkenning en “kutje, waar ben ik mee bezig?”. Een boek dat me vreselijk in de war heeft gemaakt, voor zover ik dat niet al was door alles wat er na het overlijden van Jeroen is gebeurd (daarover in één van mijn volgende blogs meer). Een boek waarmee de kijk op mezelf stukje bij beetje verandert. Het heeft me door elkaar geschud, een gevoel dat ik mezelf aan het afbreken ben en gaandeweg weer moet opbouwen. Die aanzet tot móeten (en wíllen) veranderen is in gang gezet na een doorbraak bij mijn psychologe, nu zo’n 3 weken geleden. Het boek van Geurtz borduurt verder op mijn doorbraak. Zware kost? JA, definately. Maar het proces is prachtig en de uitkomst kan alleen maar in mijn voordeel zijn: mezelf (terug) vinden. Ik heb nog 40 jaar te gaan (yes please!), dus het profijt is langdurig.

Geurtz wijdt een deel van een hoofdstuk aan het fenomeen waarom we de ene persoon wel aardig vinden en de andere niet. Waar ligt dat aan? Omdat sommige personen nou eenmaal leuker zijn dan andere, denken we meestal. Maar is het niet vreemd dat personen die jij niet aardig vindt, door andere mensen wel aardig gevonden worden? En dat jij door sommige mensen aardig gevonden wordt en door anderen niet. Hier klopt iets niet. Want als “aardig” of “onaardig” eigenschappen waren van de personen zelf, dan zouden er dus in absolute zin aardige en onaardige mensen moeten zijn en dan zouden alleen de aardige mensen door iedereen aardig gevonden worden, terwijl de onaardige door niemand aardig gevonden zouden worden. Onze waardering van anderen is grotendeels gebaseerd op projectie van onze eigen gevoelens.

Kijk naar jezelf: waarom ben je met de partner met wie je bent? Welke eigenschappen heeft hij of zij waardoor je het gevoel hebt dat hij of zij bij jou hoort? Ei-gen-schap-pen. Maar het moet meer zijn dan eigenschappen om van iemand onvoorwaardelijk te kunnen houden. Het moet een diep gevoel van verbondenheid zijn op een dieper niveau. Op ziels-niveau. En daar kun je geen naam aan geven. En daar zou dan dat onvoorwaardelijk-houden-van moeten zitten. Zoiets?

En dus: mijn zoektocht is gaande, duurt voort, en dat zal een leven lang zijn. Hopelijk niet elke keer naar het zelfde onderwerp, want her en der een oplossing vinden voor waar ik tegen aan loop, zou toch fijn zijn ;-), maar zoekende in alles wat er op mijn weg komt.

“Alles is zoals het is”

De herberg – Jalaluddin Rumi, Perzische dichter (1207-1273)

De mens-zijn is een soort herberg:
Elke ochtend weer bezoek.

Een vreugde, een depressie, een benauwdheid,
een flits van inzicht komt
als een onverwachte gast.

Verwelkom ze; ontvang ze allemaal gastvrij!
Zelfs als er een menigte verdriet binnenstormt
die met geweld je hele huisraad kort en klein slaat.

Behandel dan toch elke gast met eerbied.
Misschien komt hij de boel ontruimen
om plaats te maken voor extase…

De donkere geachte, schaamte, het venijn,
ontmoet ze bij de voordeur met een brede grijns
en vraag ze om erbij te komen zitten.

Wees blij met iedereen die langskomt.
De hemel heeft ze stuk voor stuk gestuurd
om jou als raadgever te dienen.

Ik zeg: GO  RUMI, GO RUMI, GO RUMI! 🙂

Zo dus.

Afbeelding